Hoe verloopt de procedure?
sluitingsprocedure
1. Constatering probleem
Ten eerste dient er door de gemeente te worden geconstateerd dat er sprake is van een grond tot sluiting. Hieraan kan nog een fase voorafgaand, het bijvoorbeeld laten observeren van politie bij het vermoeden van handel in drugs of overige goederen (heling).
2. Interne afweging bij gemeente
Vervolgens dient het bestuursorgaan intern af te wegen in hoeverre deze constatering in redelijkheid tot sluiting mag leiden. Daarbij dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder ook de belangen van de ondernemer. Ook speelt het algemeen belang/de openbare orde hierbij een rol. Zo zal eerder kunnen worden gesloten bij een aantoonbaar grootschalige handel in harddrugs binnen het bedrijf dan bij overtreding van een 'minder zwaar' vergunningsvoorschrift.
Bij de interne afweging van de gemeente is het gebruikelijk dat zij ook de nodige adviezen inwint, zoals bijvoorbeeld van de politie.
3. Voornemen besluit
Voordat door een bestuursorgaan een besluit wordt genomen tot sluiting van een horecabedrijf, wordt meestal eerst (schriftelijk) kenbaar gemaakt dat het bestuursorgaan van plan is om dit besluit te nemen, waarbij de horecaondernemer wordt uitgenodigd om hierop mondeling dan wel schriftelijk zijn zienswijze kenbaar te maken.
4. Zienswijze voorafgaand aan sluiting
Het is van groot belang dat de horecaondernemer gebruik maakt van de gelegenheid om voorafgaand aan de sluiting hierop zijn zienswijze kenbaar te maken. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk geschieden. In de praktijk heeft het over het algemeen de voorkeur om in ieder geval een bespreking te laten plaatsvinden over de voorgenomen sluiting waarbij de ondernemer ook nadere informatie van het bestuursorgaan krijgt over de achtergrond van de voorgenomen sluiting. Daarnaast is het vaak verstandig om hiervan een gespreksverslag te maken en dit verslag aan de gemeente toe te sturen.
In het zienswijzengesprek kan de horecaondernemer mogelijke misverstanden bij de gemeente weghalen en kan het bestuursorgaan ook nader worden geïnformeerd om uiteindelijk tot een zorgvuldiger besluit te komen. Indien het bestuursorgaan de horecaondernemer niet in de gelegenheid heeft gesteld om voorafgaand aan de sluiting een zienswijze te verstrekken leidt dit volgens de rechtspraak meestal niet tot een aantasting van het besluit.
5. Besluit tot sluiting
Nadat de zienswijze al dan niet door de ondernemer is verstrekt, wordt nogmaals een afweging door het bestuursorgaan gemaakt over de vraag in hoeverre er tot sluiting dient te worden overgegaan. Dit moment kan overigens in tijd zeer kort liggen na het voornemen tot het besluit.
Het besluit tot sluiting wordt aan de ondernemer toegezonden, maar in veel gevallen ook door de politie uitgereikt. Tegen dit besluit staat de mogelijkheid open om bezwaar hiertegen aan te tekenen.
6. Bezwaarprocedure
Binnen 6 weken nadat het besluit is genomen kan hiertegen bezwaarschrift worden ingediend.
Meer over de bezwaarschriftprocedure
7. Verzoek voorlopige voorziening
Met het indienen van een bezwaarschrift start weliswaar een juridische procedure, maar is het bedrijf nog steeds gesloten. Aangezien een bezwaarschriftprocedure gemiddeld maanden de tijd vergt, bestaat de mogelijkheid om de rechter te verzoeken een spoedmaatregel te treffen. Een dergelijk verzoek wordt gedaan onder de naam 'verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening'.
Meer over 'verzoek voorlopige voorziening'
8. Eventueel: uitspraak rechter in verzoek voorlopige voorziening
Indien direct na het moment van sluiting een verzoek wordt ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening zal de rechter in de praktijk uitspraak doen voorafgaand aan de beslissing op bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De rechter kan het verzoek toewijzen of afwijzen.
9. Beslissing op bezwaar
Meestal duurt het enige tijd voordat het bestuursorgaan een beslissing heeft genomen op het bezwaarschrift. Voorafgaand aan deze beslissing vindt altijd een hoorzitting plaatst in het kader van de behandeling van het bezwaarschrift. Sommige gemeenten hebben hiervoor een onafhankelijke bezwaarschriftencommissie ingeschakeld, andere gemeenten een commissie met een onafhankelijke voorzitter en weer andere gemeenten hebben in het geheel geen onafhankelijke personen bij deze procedure betrokken.
10. Beroep
Nadat de beslissing op het bezwaarschrift is gevolgd staat hiertegen beroep open binnen een termijn van 6 weken.
Meer over 'in beroep gaan'
Als u het niet eens bent met de beslissing op het bezwaarschrift, kunt u binnen 6 weken na deze beslissing beroep (laten) instellen bij de rechtbank. Dit kan over het algemeen alleen als eerst de bezwaarschriftprocedure is gevolgd. Voor de indiening van het beroepschrift gelden dezelfde eisen en termijnen als voor het uindien van een bezwaarschrift. Ook hier bestaat de mogelijkheid om een pro forma beroepschrift in te dienen. De gronden van het beroep dienen dan wel tijdig te worden aangevuld. Het uitblijven daarvan levert niet-ontvankelijkheid op.
Amders dan bij de bezwaarschriftprocedure bent u bij het instellen van beroep griffierecht verschuldigd. Indien dit niet tijdig wordt betaald, wordt het beroep niet-ontvankelijkheid verklaard.
Het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen dient naar aanleiding van het beroepschrift een verweerschrift in en stuurt de relevante stukken aan de rechtbank op. De rechtbank kan een zitting gelasten, maar is daartoe niet verplicht. De rechtbank doet schriftelijk uitspraak. De mogelijkheid bestaat om tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan.
Ook het indienen van beroep (net als het aantekenen van bezwaar) heeft geen schorsende werking. Dat betekent dat de gevolgen van het besluit waarmee u het niet eens bent, niet worden opgeschort. Om dit wel te kunnen bereiken, bestaat de mogelijkheid bij de rechtbank een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in te dienen.
11. Hoger beroep
Indien het beroep ongegrond is verklaard staat hiertegen hoger beroep open.
12. Verzoek tot heropening
Los van de procedure die betrekking heeft op de vraag of er al dan niet terecht is gesloten, kan een verzoek bij het bestuursorgaan worden ingediend tot heropening. Een dergelijk verzoek heeft met name betrekking op situaties waarin het horecabedrijf is gesloten op grond van de aantasting van de openbare orde (vechtpartij/schietpartij/aanwezigheid wapen of drugs).
Indien een dergelijk incident zich heeft voorgedaan, is (nagenoeg) iedereen het erover eens dat na enige tijd de openbare orde zich weer heeft hersteld. Heropening kan dan meestal met succes worden verzocht. Een aantal gemeenten hebben hiertoe zelfs een expliciete regeling opgenomen in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV).
Een discussiepunt is echter vaak hoeveel tijd er moet zijn verstreken om de openbare orde zich te laten herstellen. Dit kan reeds binnen enkele uren het geval zijn, maar er zijn ook situaties denkbaar waarin dit een paar maanden tijd kost.
Vervolgens zal het bestuursorgaan (meestal de Burgemeester) bij een verzoek tot heropening willen worden overtuigd van het feit dat de ondernemer er alles aan doet (of zal doen) om herhaling van de bewuste situatie te voorkomen. Zo komt het vaak voor dat in een verzoek tot heropening tal van aanvullende veiligheidsmaatregelen worden omschreven die zullen worden getroffen. Ook komt het voor dat de doelgroep van het bedrijf of zelfs het gehele bedrijfsconcept wijzigt.
Meer over de bezwaarschriftprocedure
Als u als belanghebbende het niet eens bent met een besluit van een bestuursorgaan kunt u hiertegen bezwaar (laten ) aantekenen. Een bezwaarschriftprocedure moet altijd gestart worden binnen 6 weken na bekendmaking van een besluit. Let op, het gaat hierbij om de formele bekendmaking, dus niet enkel om een mededeling van het bestuursorgaan.
Een bezwaarschrift moet aan een aantal minimumeisen voldoen. Zo dient dit tenminste te bevatten de naam en het adres van de indiener, de dagtekening, een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht (in de praktijk wordt ook vaak een kopie van het besluit toegevoegd) en de gronden van het bezwaar. Vraag in het bezwaarschruift tevens om een vergoeding van de kosten.
De termijn van 6 weken is fataal. Overschrijding hiervan betekent dat het bezwaarschrift niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Om deze termijn te verlengen wordt in de praktijk vaak eerst een voorlopig bezwaarschrift ingediend, waarbij wordt verzocht om een nadere termijn om de gronden van het bezwaar nader aan te voeren. Dit wordt ook wel pro forma bezwaar genoemd.
Als bezwaar moet worden aangetekend, moeten bestuursorganen hun besluit volledig heroverwegen. Gemeenten laten zich bij de behandeling van het bezwaar meestal adviseren door een onafhankelijke commissie en volgen bij de beslissing op bezwaar veelal dat advies op. Meestal vindt ook een hoorzitting plaats. De beslistermijn op het bezwaar bedraagt 6 weken, of – indien een commissie is ingesteld – 10 weken na ontvangst van het bezwaar. Die termijn kan éénmaal voor hoogstens 4 weken worden verlengd.
Tegen de beslissing op bezwaar staat beroep open bij de rechtbank.
Het maken van bezwaar heeft geen schorsende werking. Dat betekent dat de gevolgen van het besluit waarmee u hiet eens bent, niet worden opgeschort. Om dit wel te kunnen bereiken, bestaat de mogelijkheid bij de rechtbank een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in te dienen.
Meer over 'verzoek voorlopige voorziening'
Als bezwaar en beroep tegen een besluit van een bestuursorgaan wordt aangetekend, heeft dit geen opschortende werking. Dit betekent dat het besluit (ongeacht de inhoud!) van kracht blijft gedurende deze procedures. Een procedure kan over het algemeen lang duren. Hierdoor kan grote schade ontstaan. Een bekend voorbeeld is de situatie dat een café op last van de burgemeester per direct wordt gesloten, terwijl dat in de ogen van de exploitant geheel ten onrechte is.
In dergelijke gevallen is het mogelijk om bij de rechtbank om een zogenaamde voorlopige voorziening te vragen. Dit lijkt op de kort gedingprocedure in het burgerlijk procesrecht. Op korte termijn vindt dan een zitting plaats bij de voorzieningenrechter van de rechtbank, die het bestreden besluit wél kan schorsen of een andere voorziening kan treffen. In de situatie van het café zou dit bijvoorbeeld kunnen betekenen – indien de rechter het verzoek toewijst – dat de zaak open mag blijven totdat op het bezwaar- of beroepschrift is beslist. Eén van de voorwaarden om een verzoek tot voorlopige voorzieningen te vragen is dat, gelet op de betrokken belangen, sprake moet zijn van spoedeisend belang.
De mogelijkheid om een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in te dienen geldt in principe voor alle procesinstanties, dus bezwaar, beroep en hoger beroep.
Het komt vaak voor dat de voorzieningenrechter (vroeger de President) van de rechtbank bevoegd is voorlopige voorzieningen te treffen. Afhankelijk echter van het soort procedure kan ook de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Centrale Raad van Beroep of het College van Beroep voor het Bedrijfsleven bevoegd zijn.
Als aan bepaalde voorwaarden is voldaan kan de voorzieningenrechter tot zogenaamde kortsluiting overgaan. Dit houdt in dat de rechter dan onmiddellijk uitspraak doet in de hoofdzaak. Kortsluiting is alleen mogelijk als reeds beroep bij de rechter is ingesteld en de rechter van mening is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.
In zeer spoedeisende gevallen bestaat ook de mogelijkheid tot zogenaamde ‘telefonische schorsing’. In dergelijke gevallen is de zaak zo spoedeisend, dat de voorzieningenrechter al voordat de zitting heeft plaatsgevonden het bestuursorgaan telefonisch laat weten dat het bestuursorgaan het bestreden besluit dient te schorsen.
Tot slot wordt opgemerkt dat voor de behandeling van een verzoek om voorlopige voorziening griffierecht is verschuldigd. Voorafgaand aan de zitting moet de verzoeker dit bedrag betaald hebben en ook daadwerkelijk kunnen aantonen dat dit bedrag betaald is. Als er niet (tijdig) is betaald wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen een uitspraak in voorlopige voorziening kan geen beroep worden ingesteld. In bepaalde gevallen kan de voorzieningenrechter wel een voorlopige voorziening opheffen of wijzigen. Dit kan ook worden gedaan door een andere belanghebbende die (door de voorlopige voorziening) in zijn belang is getroffen, mits voorafgaand door die belanghebbende de bezwaarprocedure is doorlopen.
