N I E U W S B R I E F
april 2011

Meester Advocaten heeft een nieuwe website waarop u ruim 120 pagina's aan juridische en praktische informatie kunt vinden. Kijk op
http://www.meestermeester.nl/

 Faillissement huurder of verhuurder: einde huurovereenkomst?
 Geluidsnormen ten aanzien van dienstwoningen en feitelijk gebruik
 Preventief fouilleren in de horeca
 Weigering buitentap Koninginnedag vaak aanvechtbaar
 Amsterdam Centrum: nieuw horecabeleid in de maak

Faillissement huurder of verhuurder: einde huurovereenkomst?

Uitgangspunt

In principe heeft een faillissement geen gevolgen voor de lopende contracten. Daarmee wordt bedoeld dat het faillissement niet automatisch tot gevolg heeft dat de contracten die vóór het faillissement waren aangegaan, zoals een huurovereenkomst, eindigen.

Het zou dus wel eventueel mogelijk zijn deze overeenkomsten ná het faillissement te beëindigen.

Huurder

Voor de situatie dat huurder failliet gaat, is artikel 39 van de Faillissementswet (Fw) in het leven geroepen. Het maakt hierbij niet uit of het een huurder is van woonruimte, middenstandsruimte of overige bedrijfsruimte.

Dit artikel biedt de verhuurder en curator van de huurder de mogelijkheid de huurovereenkomst met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden op te zeggen. Dit is alleen langer wanneer de huurder de huur vóór het faillissement al langer dan drie maanden vooruit had betaald. Dan heeft huurder ook voor het langere huurgenot betaald.  

De huurschuld van bovengenoemde drie maanden is een boedelschuld: dit geeft de schuldeiser, verhuurder in dit geval, meer kans dat hij betaald zal worden. De huurachterstand die echter al vóór het faillissement bestond is dat niet.

De curator van verhuurder kan alleen opzeggen, nadat deze daarvoor toestemming heeft gekregen van de rechter (-commissaris).

Als verhuurder met inachtneming van artikel 39 Fw opzegt, hoeft de curator van huurder hier niet mee in te stemmen. Hij kan dan een beroep doen op de bescherming die de huurder toekomt.

In de standaard ROZ-voorwaarden is een artikel opgenomen, waarin staat dat verhuurder recht heeft op schadevergoeding ter hoogte van alle toekomstige huurpenningen. Stel dat de huurovereenkomst nog twee jaar zou doorlopen en de huurprijs € 100,-- per maand zou zijn, dan zou de schadevergoeding       € 2.400,-- bedragen.

Tip: verklaar bovengenoemd artikel van de ROZ-voorwaarden buiten toepassing. Let op! Dit doet de huurder dan wel in het belang van zijn mogelijk toekomstige schuldeisers. Het is dus geen wet van Meden en Perzen dat de verhuurder akkoord gaat met deze ‘n.v.t.-verklaring'.

 

Verhuurder

Als verhuurder failliet gaat, bestaat er geen speciaal artikel. Het algemene artikel 37 Fw is dan van toepassing. Dit artikel bepaalt dat schuldeiser (in dit geval huurder) aan curator kan vragen om het contract (in dit geval huurovereenkomst) na te komen.

De curator zal dit verzoek alleen weigeren, indien het in het belang van alle schuldeisers (bank, belastingdienst, leveranciers, etc.) is om de huurovereenkomst te beëindigen. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als de huurprijs te laag is en de zittende huurder reeds een kleine achterstand heeft doen ontstaan. Dan komt er namelijk te weinig geld binnen om alle schuldeisers af te betalen en kan een nieuwe huurder met een hogere huurprijs voor meer inkomsten zorgen. In dat geval zou de curator de huurovereenkomst kunnen beëindigen.

 

In artikel 7:226 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat koop van de onroerende zaak waarin zich het gehuurde bevindt er niet toe leidt dat de huurovereenkomst eindigt, ondanks dat er een nieuwe verhuurder is gekomen. De nieuwe eigenaar moet de huurovereenkomst dan respecteren en naleven.

In de literatuur wordt wel aangenomen dat dit artikel ook in geval van faillissement geldt, omdat de curator van verhuurder als nieuwe verhuurder zou kunnen worden beschouwd.

Er wordt dan ook het standpunt ingenomen dat artikel 7:226 BW voor de curator van de verhuurder eraan in de weg staat om de huurovereenkomst te beëindigen.

Let op! Dit standpunt is echter nog geen uitgemaakte zaak! Er blijven dus risico's voor huurder bestaan bij faillissement van verhuurder.

Artikel 7:226 BW geldt echter niet als het gaat om een onderhuursituatie of de verhuurder alleen economisch en niet juridisch eigenaar is (als de koopsom wel betaald is, maar geen levering bij de notaris heeft plaatsgevonden). Dit is uitgemaakt door de Hoge Raad.

In dat geval kan de huurovereenkomst dus wel door de curator van de verhuurder worden beëindigd. De rechtbank Haarlem heeft een dergelijke beëindiging voor een onderhuursituatie in 2008 dan ook goedgekeurd, net als de Hoge Raad in 2006 voor de situatie dat de verhuurder alleen economisch eigenaar was.

Tip: neem in de huurovereenkomst op dat de huurovereenkomst bij faillissement van verhuurder niet zal eindigen door beëindiging door verhuurder of zijn curator. Vooral als het een onderhuursituatie betreft!

 

Geluidsnormen ten aanzien van dienstwoningen en feitelijk gebruik

In het Activiteitenbesluit, afgeleid van de Wet milieubeheer, zijn normen opgenomen die betrekking hebben op de maximale geluidsbelasting van ‘gevoelige gebouwen’, bijvoorbeeld woningen.

In artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit is in de definitie van ‘gevoelige gebouwen’ aangegeven dat gebouwen die bij de inrichting horen (dienst- of bedrijfswoningen) geen geluidsgevoelig object zijn waarvoor de grenswaarde uit het besluit geldt. Dat betekent dat dienst- of bedrijfswoningen die niet tot de inrichting behoren gewoon als woningen van derden dienen te worden gezien waarvoor de grenswaarden wel gelden.

Uitzondering op deze regel geeft artikel 6.15 van het Activiteitenbesluit. Dit artikel betreft een overgangsbepaling en geeft aan dat inrichtingen die vóór de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit onder het regime van het besluit Horeca, Sport en Recreatie inrichtingen Milieubeer vielen (onder andere) nog steeds de bescherming genieten die dat besluit gaf. Onder laatstgenoemd besluit viel een dienst of bedrijfswoning van een derde niet onder de definitie van het begrip woning. Dat betekende dat deze dienstwoningen dus niet beschermd waren tegen bijvoorbeeld overschrijding van de geldende geluidsnormen.

Voor horecabedrijven die onder het (oude) regime van het besluit Horeca-, Sport- en Recreatie-inrichtingen Milieubeer vielen en die op last van de gemeente allerhande maatregelen moeten treffen vanwege overschrijding van de geluidsnormen, biedt deze overgangsregeling uitkomst. Met een beroep op deze overgangsbepaling kan waarschijnlijk de last met succes worden bestreden.

Deze overgangsbepaling is echter niet van toepassing op dienstwoningen die feitelijk gebruikt worden als burgerwoningen. Dit is een veelvoorkomend fenomeen. Dienstwoningen zijn vaak als zodanig bestemd in het bestemmingsplan en dienen dan ook als zodanig gebruikt te worden. Dat betekent (afhankelijk van de definitie in het bestemmingsplan) dat de woning gebruikt dient te worden door iemand die werkzaam is voor het betreffende bedrijf en dat het gebruik ook noodzakelijk is voor dat bedrijf. Bijvoorbeeld in verband met de eis van permanent toezicht.

Regelmatig komt het echter voor dat het bedrijf de woning heeft verkocht of het bedrijf is verdwenen en voor het opvolgend bedrijf is de dienstwoning niet noodzakelijk. Als de bestemming van deze dienstwoning niet gewijzigd is wordt in die gevallen de woning gebruikt als burgerwoning en daarmee in strijd met het bestemmingsplan.

De vraag is dan welke geluidseisen er gelden. Moet de woning gezien worden als dienstwoning (waarvoor de geluidseisen niet per definitie gelden) of als burgerwoning, (waarvoor de geluidsnormen wel gelden).

De Raad van State heeft hier uitspraak over gedaan. Zij heeft in een uitspraak bepaald dat voor de vraag of een object op grond van de Wet milieubeheer moet worden beschermd tegen nadelige gevolgen voor het milieu niet de planologische status (bestemmingsplan) van het object maar het feitelijk gebruik van het object doorslaggevend is.

Dat betekent in beginsel dat, hoewel sprake is van illegaal gebruik van de dienstwoning een naastgelegen horecaonderneming aan de geluidsnormen zal moeten voldoen. Dat betekent dus ook dat de overgangsbepaling van het Activiteitenbesluit (6.15)  in dat geval buiten spel wordt gezet.

Uiteraard kan de horecaondernemer verzoeken om handhaving vanwege het gebruik van de dienstwoning in strijd met het bestemmingsplan. Niet zelden echter zal de gemeente mee willen werken aan het wijzigen van de bestemming. Dat betekent dat de naastgelegen horecaonderneming in veel gevallen maatregelen zal moeten treffen om aan de geluidsnormen te voldoen.

Wel is het zo dat voor het legaliseren van het gebruik van de dienstwoning als burgerwoning een wijziging van het bestemmingsplan is vereist. In dat geval zal het vaak zo zijn dat de naastgelegen horecagelegenheid in een planologische slechtere positie is komen te verkeren en mogelijk recht heeft op vergoeding van schade (planschade).

Preventief fouilleren in de horeca

In Amsterdam Centrum wordt momenteel gewerkt aan nieuw horecabeleid, mede naar aanleiding van een notitie rondom horeca van D66.

De nieuwe Horecavisie van het Stadsdeel Centrum zal besproken worden op een horecabijeenkomst op dinsdag 22 maart 2011 “Horeca in centrum”. Op deze avond zal de Horecavisie van het stadsdeel worden gepresenteerd. Aan de orde komen daarbij ondermeer:

  • Het afschaffen van het bestaande afkoeluurtje voor de horeca in de Hand- en Voetboogstraat.
  • Een bespreking van het voorstel van de centrale stad om de plicht tot het hebben van een exploitatievergunning voor zogenaamde mengformules te laten vervallen. Het Stadsdeel Centrum kan hier onder een aantal voorwaarden mee instellen. De belangrijkste voorwaarde is dat de zogenaamd criminogene en economisch laagwaardige functies als smartshops, speelautomaathallen, telefoneerinrichtingen, geldwisselkantoren, mini-supermarkten, massagesalons, souvenirwinkels, headshops en seksinrichtingen van de uitzondering op de exploitatievergunningplicht worden uitgezonderd.
  • Het concept Terrassenbeleid 2011 (zie hiervoor eerdere berichtgeving op deze weblog).
  • Het houden van een pilot met het verruimen van de openingstijden van de horeca op het Rembrandtplein en de omgeving en de Reguliersdwarsstraat. Deze pilot kan pas tot stand komen na het maken van goede afspraken met ondernemers en politie over het voorkomen en terugbrengen van (gewelds)incidenten en over de te behalen doelen. Start en duur van de pilot zullen in onderling overleg met betrokkenen worden bepaald. Het hanteren van venstertijden is een mogelijkheid die als voorwaarde gesteld kan worden en die besproken zal worden. De belangrijkste voorwaarde aan de pilot is dat de verruimde openingstijden moeten leiden tot meetbaar minder geweldsincidenten.
  • Het mogelijk maken van ruimere sluitingstijden op bijzondere locaties met vernieuwende horecaconcepten. Een voorbeeld hiervan zou zijn een mogelijk horecaconcept in het C&A-gebouw aan het Damrak waar ruimere of vrije openingstijden zouden kunnen gelden. De bedoeling is dat alle stadsdelen gaan kijken naar een aantal specifieke locaties binnen ieder stadsdeel waar bijzondere horecaconcepten vergund zouden kunnen worden met verruimde of vrije openingstijden.
  • Het verbeteren van de klachtenregistratie rondom overlast van de horeca. De bedoeling is dat een zogenaamde milieuklachtentelefoon zal worden ingeschakeld die zowel overdag als ’s avonds en in het weekend bereikbaar is.
  • Het laten vervallen van de proef voor latere sluitingstijden bij alcoholvrije horeca. Het stadsdeel wil de burgemeester verzoeken de proef met latere sluitingstijden voor alcoholvrije zaken af te schaffen. Voor alcoholvrije zaken binnen de uitgaansgebieden Rembrandtplein en omgeving en Leidseplein en omgeving en een aantal straten in de directe omgeving van beide uitgaansgebieden wordt een sluitingstijd van 04:00 uur voorgesteld voor alcoholvrije zaken en voor de overige straten in het Stadsdeel Centrum wordt voor alcoholvrije zaken een sluitingstijd van 06:00 uur in het weekend voorgesteld.


De bijeenkomst waarop deze onderwerpen besproken zullen worden zal plaatsvinden op dinsdag 22 maart vanaf 19:30 uur in de Boekmanzaal, Stadhuis, Amstel 1.

Tips

  • Laat van u horen, zeker als het een onderwerp is dat uw zaak aangaat. Bedenk dat er vaak veel bewoners op dergelijke bijeenkomsten afkomen die voornamelijk de door hen ervaren overlast aan de kaak zullen stellen. Tegengewicht vanuit horecaondernemers is wenselijk.
  • Maak gebruik van de mogelijkheid om de politiek op dit soort bijeenkomsten toch nog op andere gedachten te brengen als het om onderwerpen gaat waar ze de vrijheid van horecaondernemers juist willen beperken. Te denken valt aan het laten vervallen van de proef met de sluitingstijden voor alcoholvrije zaken en het afschaffen van het afkoeluurtje in Hand- en Voetboogstraat.
  • Ook het nieuwe Terrassenbeleid 2011 staat voor bespreking geagendeerd. Hoewel hieromtrent ook nog een aparte inspraakavond gehouden zal worden, kan het geen kwaad om deze bijeenkomst reeds te gebruiken om ten aanzien van dit concept Terrassenbeleid uw mening naar voren te brengen.

Weigering buitentap Koninginnedag vaak aanvechtbaar

Minister Opstelten maakt het voor burgemeesters eenvoudiger om in discotheken snel preventief te fouilleren. De Nederlandse horeca heeft de afgelopen jaren ruime ervaring opgedaan met preventief fouilleren, waarbij in veruit de meeste gevallen in goed overleg tussen de horeca, gemeenten en politie is opgetreden.
 
Uit de praktijkervaringen blijkt dat er tussen gemeenten en de horeca wel goede afspraken moeten worden gemaakt over de vraag hoe te handelen indien er bij het preventief fouilleren wordt gezocht naar wapens maar drugs op horecabezoekers wordt aangetroffen. In de meeste Nederlandse gemeenten is de burgemeester bevoegd om het horecabedrijf te sluiten indien er meer dan 0,5 gram harddrugs op een horecabezoeker wordt aangetroffen (met toepassing van artikel 13b Opiumwet).
 
Het bezit van harddrugs valt in de praktijk nagenoeg niet te voorkomen. Horecaondernemers zijn slechts bevoegd te visiteren (minder vergaand dan fouilleren).
 
Het enkele feit dat tijdens een actie preventief fouilleren harddrugs op een bezoeker wordt aangetroffen leidt in de praktijk in veruit de meeste gevallen niet tot sluiting van het horecabedrijf, aangezien de burgemeester zelf ook inziet dat er voor een dergelijke sluiting in redelijkheid meer aan de hand moet zijn zoals bijvoorbeeld drugshandel in het horecabedrijf dan wel een te passieve houding van de horecaondernemer om drugs te weren.
 
Desalniettemin speelt in de huidige praktijk nog wel eens de discussie in hoeverre de burgemeester na het aantreffen van drugs bij een actie preventief fouilleren, ook zonder bijkomende bijzondere omstandigheden toch kan overgaan tot sluiting van het horecabedrijf. Nu de mogelijkheid tot preventief fouilleren sterk wordt uitgebreid zal deze discussie hoogstwaarschijnlijk verder toenemen.
 
In 2004 heeft Meester Advocaten reeds samen met de Erasmus Universiteit onderzoek gedaan hoe de burgemeester in een dergelijke situatie dient te handelen. Onder meer volgde uit dit onderzoek dat de burgemeester – behoudens bijzondere gevallen – onder dergelijke omstandigheden niet eenvoudig tot sluiting van het horecabedrijf zou kunnen overgaan.
 
Horecaondernemers doen er dan ook verstandig aan om met gemeenten in overleg te treden over de vraag hoe wordt omgegaan met aangetroffen drugs in het kader van preventief fouilleren.

Amsterdam Centrum: nieuw horecabeleid in de maak

Voor het plaatsen van een buitentap op Koninginnedag is een ontheffing vereist op grond van de drank- en horecawet. De gemeente kan deze ontheffing slechts op een beperkt aantal gronden weigeren. Veel horecaondernemers zijn met deze regelgeving niet bekend.
 
Om in aanmerking te komen voor een buitentap dient in eerste instantie sprake te zijn van een “bijzondere gebeurtenis van zeer tijdelijke aard”. Daarvan is in het geval van Koninginnedag vrijwel altijd sprake.
 
Als de aanvraag wordt ingediend door een persoon in het bezit van een Verklaring Sociale Hygiëne, die niet van slecht levensgedrag is, kan worden aangetoond dat er voldoende toezicht wordt gehouden en zich geen bijzondere openbare orde problemen voordoen zijn de weigeringgronden voor de gemeente zeer beperkt. In beginsel dient de ontheffing voor de buitentap in dergelijke gevallen te worden verleend.
 
Toch komt het regelmatig voor dat gemeenten een ontheffing buitentap weigeren, of slechts beperkt (bijvoorbeeld met één kraan in plaats van twee) verlenen. Tegen deze besluiten kan vaak met succes bezwaar worden aangetekend. Ook al volgt de beslissing op het bezwaarschrift vaak pas na Koninginnedag, dan nog kan worden doorgeprocedeerd om schadevergoeding van de gemeente te verkrijgen.
 
In veruit de meeste gevallen laten horecaondernemers kansen liggen om dergelijke besluiten aan te vechten, meestal in de veronderstelling dat ze er toch niets mee opschieten. In dit geval meestal een onterechte aanname.
 
Houd wel rekening met de bezwaartermijn van 6 weken!

 

 

Meester Advocaten

Foeliestraat 18
1011 TM  Amsterdam
t: 020-409 55 55
f: 020-409 54 44

info@meestermeester.nl