N I E U W S B R I E F
nr 4 juni 2010

Meester Advocaten heeft een nieuwe website waarop u ruim 120 pagina's aan juridische en praktische informatie kunt vinden. Kijk op
http://www.meestermeester.nl/

 IE-rechten
 Vetput
 Aanwijzing leverancier door verhuurder
 Aankoop horecabedrijf
 Problemen bij verhuur
 Amsterdam centrum: gevolgen terrassenbeleid
 Amsterdam centrum: cijfers over uitvoering Hotelbeleid

IE-rechten

Steeds vaker besluiten horecaondernemers een nieuwe huisstijl te ontwikkelen. Zij schakelen daarvoor ook vaak een webdesigner in voor het maken van een nieuwe website of om wijzigingen aan te brengen in de huidige website.

Het is belangrijk om in dit soort gevallen waakzaam te zijn. Veelal is in de algemene voorwaarden van de webdesigner opgenomen dat het intellectuele eigendom, waaronder het auteursrecht, altijd behouden blijft bij de webdesigner. Er wordt alleen toestemming gegeven om van het ontwerp gebruik te maken ten behoeve van de website.

Wanneer die website door de horecaondernemer in een later stadium wordt veranderd, gewijzigd of de huisstijl wordt doorgevoerd in bijvoorbeeld de menukaart, brochures of op andere wijze, staat de webdesigner in beginsel in zijn recht wanneer hij vordert dit gebruik te staken. Dit met alle financiële gevolgen van dien.

De horecaondernemer kan hierdoor onrechtmatig handelen jegens de webdesigner en jegens hem aansprakelijk zijn voor de geleden schade. Bovendien kunnen veelal (in tegenstelling tot andere civiele kwesties) de volledige advocaatkosten worden gevorderd. De wet biedt in IE-zaken namelijk een uitzondering op de hoofdregel dat advocaatkosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Tips:

  1. Laat u dus niet afleiden door het feit dat u hoge kosten maakt en er dus vanuit gaat dat u het ontwerp mag gebruiken voor alle doeleinden, maar lees altijd voordat u een webdesigner de opdracht verstrekt, de algemene voorwaarden van de webdesigner.
  2. Probeer voor het sluiten van de overeenkomst concrete afspraken over de vraag bij wie de IE-rechten komen te rusten en wat daarmee mag gebeuren, u bent dan vaak voordeliger uit dan wanneer u deze in een later stadium alsnog wilt afkopen.
  3. Het geniet de voorkeur wanneer hierover afspraken worden gemaakt, een overdracht te bewerkstelligen van de IE-rechten aan de horecaondernemer. In dat geval bent u vrij om met het product te doen en laten wat u wilt. Mocht een webdesigner dit niet wensen, dan bestaat de mogelijkheid om een licentie te krijgen. Op grond van de licentie zijn slechts bepaalde overeengekomen handelingen geoorloofd. U dient daarvoor vaak een fee te betalen.

Vetput vaker verplicht

Sinds de aanscherping van de milieuregelgeving per 1 januari 2008 is het voor horecabedrijven vaker verplicht om een vetput te plaatsen.

In beginsel is het plaatsen van een vetput verplicht bij nieuwe bedrijven die vethoudend afvalwater lozen. Op grond van de regelgeving is relatief snel sprake van “vethoudend afvalwater”.

Feitelijk dient een vetafscheider en slibvangput te worden geplaatst die voldoet aan de technische eisen van NEN-EN 1825-1 en 2. Niet alle horecabedrijven hoeven echter te beschikken over een dergelijke vetvangput. Er zijn uitzonderingen:

  • horecabedrijven die voor 1 januari 2008 niet in het bezit waren van een vetvangput hoeven deze niet alsnog te plaatsen;
  • horecabedrijven die voor 1 januari 2008 wel in het bezit waren van een vetvangput, maar bij wie de vetput niet voldeed aan de huidige NEN-norm kunnen de oude vetput in beginsel blijven gebruiken;
  • er kan in bijzondere gevallen worden verzocht te worden ontheven van de verplichting tot het plaatsen van een vetput. Het horecabedrijf dient daarbij de gemeente te verzoeken om een “maatwerkvoorschrift” op te leggen waarin dit is vastgelegd. Een dergelijk verzoek kan gehonoreerd worden indien bijvoorbeeld slechts sprake is van zeer geringe horeca-activiteiten dan wel geen vethoudende producten worden bereid.

Tips:

  • Houd er bij het starten van een nieuwe horecabedrijf rekening met deze strenge regelgeving omtrent vetputten.
  • Indien er een discussie ontstaat met de gemeente over de eisen waaraan de vetput dient te voldoen kan mogelijk worden verwezen naar het bovenstaande “overgangsrecht” voor bedrijven die reeds waren opgericht voor 1 januari 2008.
  • Niet alle nieuwe bedrijven zijn verplicht om een vetput te plaatsen, daarbij dient echter wel een zogenaamd “maatwerkvoorschrift” te worden opgelegd. Het kan verstandig zijn om de gemeente specifiek om een dergelijk besluit te verzoeken
  • Nadere informatie over vetputten valt te vinden op www.infomil.nl

Aanwijzing leverancier door verhuurder

Regelmatig komen wij in huurovereenkomsten van horecabedrijven een beding tegen waarin is opgenomen dat de verhuurder één of meerdere leveranciers mag aanwijzen. Dit kan bijvoorbeeld een brouwerij zijn (zie de nieuwsbrief van april 2010), maar ook een koffieleverancier en/of een kansspelautomatenexploitant. Regelmatig wordt daarbij de vraag gesteld in hoeverre een dergelijk beding rechtsgeldig is.

In dit kader is onder meer relevant een Europese Verordening waarin is bepaald dat leveranciers met een marktaandeel tot 30% slechts een maximale exclusieve afnameverplichting van hun producten kunnen opleggen voor de duur van 5 jaar. Als uitzondering op deze regel kunnen de leveranciers een dergelijk beding wel voor langere tijd opleggen indien zij de horecaruimte aan de ondernemer verhuren, in welk geval de exclusieve afnameverplichting mag voortduren zolang de huurovereenkomst voortduurt.

De hiervoor omschreven uitzondering op de ‘vijf jaars-regel’ gaat naar het oordeel van ons kantoor alleen op in situaties waarin de leverancier ook de verhuurder is van het horecabedrijf, en niet een andere partij.

Naar ons oordeel kan het dan ook zo zijn dat een verplichting van een particuliere pandeigenaar aan de horecaondernemer om producten af te nemen bij een bepaalde leverancier in strijd kan zijn met de hiervoor genoemde Europese Verordening. Een en ander kan overigens wel afhangen van de wijze waarop een dergelijk beding in de huurovereenkomst is geformuleerd, hoe groot het marktaandeel is en op welke wijze het beding in de huurovereenkomst wordt toegepast.

In de praktijk doen zich met name discussies op dit punt voor op het moment dat de horecaondernemer weigert om bier af te nemen van een bepaalde brouwerij. Daarbij speelt weer vaak een rol in hoeverre aan de horecaondernemer bierkortingen worden verstrekt.

Het aanvechten van een dergelijk beding in de huurovereenkomst kan dan ook kans van slagen hebben. Wel dient daarbij te worden gerealiseerd dat de verhouding tussen de huurder en de verhuurder er in het algemeen door een dagvaardingsprocedure niet beter op zal worden. Overigens plegen dergelijke procedures in de praktijk niet lang te duren; in de praktijk wordt in nagenoeg alle gevallen geschikt.

Aankoop horecabedrijf; vergeet niet het ‘maatwerkvoorschrift’

Gemeenten hebben de bevoegdheid om aan horecabedrijven zogenaamde ‘maatwerkvoorschriften’ op te leggen om te bereiken dat aan de geldende (milieu)normen wordt voldaan. Maatwerkvoorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op het toegestane geluidsniveau in een horecabedrijf.

Tot 1 januari 2008 konden door gemeenten zogenaamde ‘nadere eisen’ worden opgelegd op grond van de destijds geldende regelgeving (het voormalige Besluit horeca- sport en recreatie-inrichtingen milieubeheer). Door middel van deze eisen konden vergelijkbare beperkingen worden opgelegd als nu met de maatwerkvoorschriften.

Bij veel horecaondernemers is nog steeds onbekend dat een maatwerkvoorschrift op de inrichting zelf rust en niet op de ondernemer. Dit betekent dat indien een horecabedrijf wordt overgedragen, het maatwerkvoorschrift of de nadere eis automatisch ook geldt voor de nieuwe eigenaar, zelfs als deze hiermee niet bekend is.

Het maatwerkvoorschrift is meestal beperkend voor de exploitatie. De nieuwe eigenaar heeft echter niet de kans meer om hiertegen bij de gemeente (succesvol) in bezwaar te gaan, omdat de bezwaartermijn (zes weken na het opleggen van  het maatwerkvoorschrift) in vrijwel alle gevallen reeds verlopen is. Over het algemeen kan worden gesteld dat door de onbekendheid met de nadere eis vaak een beperktere exploitatie mogelijk is dan verwacht.

Helaas komt het nog steeds regelmatig voor dat een verkoper of horecamakelaar de koper niet (voldoende) op dit punt informeert. Alhoewel in dergelijke gevallen juridische actie richting de verkoper succesvol kan zijn heeft het uiteraard de voorkeur zelf tijdig van (de inhoud van) een maatwerkvoorschrift op de hoogte te zijn.

Tip: voorafgaand aan de aankoop van het horecabedrijf is het verstandig zelf na te gaan of op de desbetreffende inrichting een maatwerkvoorschrift dan wel nadere eis rust. De gemeente is verplicht om hierover informatie te verstrekken. Let erop dat deze informatie meestal niet bekend is bij de afdeling die over de horecavergunning gaat maar eerder bij de afdeling milieu, dan wel een plaatselijke milieudienst.

Tip: het is de gemeente slechts toegestaan om binnen bepaalde wettelijke kaders maatwerkvoorschriften op te leggen. Ook oude vergunningsvoorschriften en “nadere eisen”kunnen niet rechtsgeldig zijn. Het is vaak verstandig een deskundige te raadplegen over de vraag in hoeverre een specifiek maatwerkvoorschrift wel aan de wettelijke eisen voldoet.

Problemen bij verhuur door discotheken/clubs

Zoals bekend besteden veel clubs commerciële avonden uit aan promotors en sluiten hiervoor huurcontracten af. In de praktijk blijkt (nog steeds) nagenoeg geen enkele club over een deugdelijk huurcontract te beschikken, hetgeen tot de nodige problemen kan leiden.

Regelmatig wordt ons kantoor geconfronteerd met situaties waarin  het huurcontract ofwel geen antwoord biedt ofwel op meerdere manieren kan worden uitgelegd. Enkele voorbeelden:

  • Hoe te handelen indien de promotor niet aan de verwachtingen voldoet? Vanuit de promotor geredeneerd: is het mogelijk een goede regeling tot verlenging van de huurovereenkomst overeen te komen, indien de avond een (terugkerend) succes is? Zo ja, vanuit de club geredeneerd: het maken van exclusieve duurovereenkomsten;
  • Criteria op grond waarvan de promotor wordt beoordeeld;
  • Een juridisch deugdelijke constructie waarin überhaupt kwaliteitseisen aan promotors kunnen worden gesteld. Op welke wijze kan worden voorkomen dat er in eerste instantie door de promotor wordt aangegeven dat een A-artiest komt optreden, maar uiteindelijk een B-act wordt neergezet;
  • Een goede splitsing van verantwoordelijkheden rondom veiligheid, drugsgebruik e.d. Clubs staan er vaak te weinig bij stil dat zij jegens de gemeente als vergunningshoudster verantwoordelijk c.q. aansprakelijk zijn;
  • Het al dan niet inzetten van portiers door de club. Een dilemma hierbij: als portiers van de club worden gebruikt zal er eerder aansprakelijkheid van de club aanwezig zijn. Als de club zelf de beveiliging niet verzorgt, heeft zij mogelijk te weinig grip op de situatie en treft zij wellicht onvoldoende maatregelen in het kader van de aan haar verleende exploitatievergunning;
  • Op welke wijze is het de promotor toegestaan om elders in het land concurrerende activiteiten te ontplooien?
  •  Welke verantwoordelijkheid komt de promotor toe in het kader van het bewaken van de maximale bezoekersaantallen in verband met de brandveiligheid? Hoe wordt gecontroleerd en op welke wijze kan een sanctie worden opgelegd? Niet alleen dient in dit kader rekening te worden gehouden met de kaartverkoop maar uiteraard ook de gastenlijst.
  • Hoe kan worden voorkomen dat de promotor een geheel andere invulling aan de bewuste avond geeft dan door de club wordt beoogd? Bijvoorbeeld door een avond te organiseren met “risicopubliek”?
  • Het opnemen van een contractuele boete bij schending van de overeenkomst, naast de mogelijkheid tot het vorderen van de geleden schade (welke niet altijd goed inzichtelijk te maken is);

 

Het opstellen van een goed huurcontract tussen clubs en promotors betreft een van de meest complexe juridische aangelegenheden uit onze praktijk. Diverse rechtsgebieden zijn daarbij betrokken (raakvlak; huurrecht, bestuursrecht, civielrechtelijke aansprakelijkheid, bestuursrechtelijke verantwoordelijkheid). Denk dus van te voren goed na over het organiseren van feestavonden en leg gemaakte afspraken goed vast.

Amsterdam Centrum: Gevolgen terrassenbeleid

De gevolgen van het nieuwe terrassenbeleid van het stadsdeel Amsterdam Centrum, zoals vastgelegd in de Terrassennota 2008, worden steeds zichtbaarder.

Bij de totstandkoming van de Terrassennota werd in eerste instantie door (voormalig) stadsdeelvoorzitter Els Iping aangegeven dat er behoefte bestond aan een nieuw terrassenbeleid en dat er een balans zou worden gerealiseerd tussen de belangen van de horecaondernemers en omwonenden.

In het kader van deze balans werd door Els Iping aangegeven dat er niet alleen maar terrasbeperkingen zouden plaatsvinden (onder andere terugbrengen omvang terrassen, aantal terrassen, beperken terrassen op brugvleugels etc.) maar dat er ook op bepaalde punten een versoepeling zou plaatsvinden van het terrassenbeleid te weten op de volgende punten:

  1. Meer mogelijkheden tot het creëren van terrassen aan de overzijde van de weg.
  2. Het creëren van “langsbankjes”.
  3. Het vergunnen van zogenaamde maatwerkterrassen.
  4. Het opheffen van parkeerplaatsen ten behoeve van terrassen.

 

Veel horecaondernemers gaven ten tijde van de invoering van het terrassenbeleid aan dat het aanbieden van “langsbankjes” niet kan worden vergeleken met een terras. Immers mogen bij de langsbankjes geen tafels en stoelen worden geplaatst. Daarnaast wordt de mogelijkheid tot een langsbankje alleen maar geboden indien het trottoir tussen 2,00 en 2,30 meter breed is.

De toezegging om nader beleid op te stellen omtrent het opheffen van parkeerplaatsen ten behoeve van terrassen is tot op heden niet nagekomen.

Vlak voor de totstandkoming van de Terrassennota 2008 is door Els Iping de toezegging gedaan dat circa 10 tot 15% van alle terrassen (oftewel 80 tot 100 terrassen) in aanmerking zouden kunnen komen voor een zogenaamde maatwerkprocedure. Daarvoor zou aan vier criteria moeten worden voldaan (onder andere woon- en leefklimaat, verkeersveiligheid). Tot op heden heeft het stadsdeel centrum niet honderd maar slechts vijf maatwerkterrassen vergund. Recent heeft een van de horecaondernemers aan wie een maatwerkterras is toegezegd zelfs een gerechtelijke procedure moeten voeren omdat de stadsdeel voorzitter c.q. burgemeester in eerste instantie wel de terrasvergunning had verleend en later spijt kreeg van de vergunningverlening omdat deze terrasvergunning bij nader inzien toch niet bijzonder genoeg was. Dit terwijl het onderhavige terras al jarenlang op de onderhavige plek stond en zelfs de openbare ruimte speciaal daarvoor was ingericht.

De voorzichtige conclusie kan worden getrokken dat van de hier voorgenoemde toezeggingen uitsluitend de versoepeling van het terras aan de overzijde van de weg in theorie resteert. Er zijn Meester Advocaten echter niet veel gevallen bekend van terrassen aan de overzijde die vroeger niet vergund werden maar met inwerkingtreding van de nieuwe Terrassennota wel vergund worden. 

 

Amsterdam centrum: cijfers over uitvoering Hotelbeleid

Onlangs heeft stadsdeel centrum de monitor hotelkamers 2008 -2010 vrijgegeven. Hierin wordt teruggeblikt op de uitvoering van de Hotelnota van het stadsdeel centrum, waarin was opgenomen dat tot 2011 1000 extra hotelkamers in stadsdeel centrum gerealiseerd mochten worden.

Uit de monitor blijkt dat er in totaal voor 14 hotels en 315 kamers bouwvergunningen zijn aangevraagd. Het gaat daarbij om 8 aanvragen van nieuwe hotels, en 6 aanvragen voor uitbreiding van bestaande hotels. Voor 16 kamers is daadwerkelijk bouwvergunning verleend. Deze kamers zijn nog niet gerealiseerd.

Er worden thans nog 150 kamers gereserveerd voor een tophotel, waar dat eerder om 300 kamers ging.

De quota voor de Grachtengordel en Nieuwmarkt en Rembrandtplein zijn inmiddels vol. Voor alle 166 aangevraagde kamers in deze gebieden die aan de criteria voldoen en binnen de quota passen is een bouwvergunning aangevraagd. De quota voor de Jordaan en de Weteringsbuurt en Frederiksplein zijn nog geheel onbenut. In de Haarlemmerbuurt en Westelijke eilanden zijn nog 30 kamers te vergeven binnen het quotum. Voor slechts 20 kamers is een bouwvergunning aangevraagd.

De hotelnota heeft ook voorkeursgebieden aangewezen. Het gaat dan voornamelijk om de Oostelijke binnenstad en de Prins Hendrikkade. Voor deze voorkeursgebieden samen met de Leidsebuurt en de extra kamers die binnen een bestaande hotelbestemming gerealiseerd mogen worden zijn nog 191 kamers te vergeven. Voor 129 kamers is een bouwvergunning aangevraagd en voor 16 kamers is een bouwvergunning verleend. Binnen de voorkeursgebieden blijken de Prins Hendrikkade en de Weteringschans favoriet; 68 % van alle aangevraagde kamers in de voorkeursgebieden betreffen die locaties.

Voorts wordt in deze monitor aangegeven waar de meeste aanvragen op stranden. Het blijkt dat op het beleidscriterium “parcellering en architectonische kwaliteit” de meeste aanvragen zijn afgewezen namelijk 10 van de 59. Daarnaast speelt bij de helft van het aantal aanvragen woningonttrekking een rol. Drie aanvragen zijn direct vanwege woningonttrekking afgewezen. De gehele monitor is via onderstaande link te bekijken op onze website.

» Horecabeleid

Meester Advocaten

Foeliestraat 18
1011 TM  Amsterdam
t: 020-409 55 55
f: 020-409 54 44

info@meestermeester.nl