24 juni 2011

Wie ontbindt, die bewijst?

Hoort bij: wet — Tags:, — meester @ 15:42

Bij het opstellen van een overeenkomst wordt er vaak een ontbindende voorwaarde opgenomen.
Voorbeeld: als de benodigde vergunningen niet verleend zijn op het moment dat de huurovereenkomst ingaat, kan huurder nog onder de huurovereenkomst uit door een beroep te doen op de ontbindende voorwaarde.

De verhuurder zal dit veelal niet leuk vinden en wellicht zelfs proberen hier een stokje voor te steken, bijvoorbeeld door het vorderen van nakoming van de huurovereenkomst in een procedure, terwijl de huurder juist vindt dat hem een beroep op de ontbindende voorwaarde toekomt. Maar wat als de verhuurder dat betwist, wie moet wat dan bewijzen?

De Hoge Raad heeft op 22 april jl. overwogen dat de bewijslast ten aanzien van het ‘bestaan’ en ‘vervuld’ zijn van de ontbindende voorwaarde rust bij degene die zich op die voorwaarde beroept, omdat die daardoor van de overeenkomst wordt ‘bevrijd’. De huurder dus in dit geval.
Ook als partijen van mening verschillen over de inhoud of betekenis van de ontbindende voorwaarde (valt een terrasvergunning er bijvoorbeeld ook onder?), rust bij huurder de bewijslast ten aanzien van feiten en omstandigheden die zij voor haar uitleg heeft aangevoerd.
Hieraan doet niet af dat de verhuurder wellicht ook omstandigheden heeft aangevoerd voor ‘zijn’ eigen uitleg: de bewijslast blijft bij huurder.

Tip:
• Stel de ontbindende voorwaarde schriftelijk op. Dat scheelt weer bewijsmoeilijkheden bij de vraag óf zo’n voorwaarde überhaupt is overeengekomen;
• Formuleer de ontbindende voorwaarde zo duidelijk mogelijk. Zoals in het voorbeeld: omschrijf expliciet welke vergunningen eronder vallen.

Powered by WordPress