Geluidsnormen ten aanzien van dienstwoningen en feitelijk gebruik
In het Activiteitenbesluit, afgeleid van de Wet Milieubeheer, zijn normen opgenomen die betrekking hebben op de maximale geluidsbelasting van ‘gevoelige gebouwen’, bijvoorbeeld woningen.
In artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit is in de definitie van ‘gevoelige gebouwen’ aangegeven dat gebouwen die bij de inrichting horen (dienst- of bedrijfswoningen) geen geluidsgevoelig object zijn waarvoor de grenswaarde uit het besluit geldt. Dat betekent dat dienst- of bedrijfswoningen die niet tot de inrichting behoren gewoon als woningen van derden dienen te worden gezien waarvoor de grenswaarden wel gelden.
Uitzondering op deze regel geeft artikel 6.15 van het Activiteitenbesluit. Dit artikel betreft een overgangsbepaling en geeft aan dat inrichtingen die vóór de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit onder het regime van het besluit Horeca, Sport en Recreatie inrichtingen Milieubeer vielen (onder andere) nog steeds de bescherming genieten die dat besluit gaf. Onder laatstgenoemd besluit viel een dienst of bedrijfswoning van een derde niet onder de definitie van het begrip woning. Dat betekende dat deze dienstwoningen dus niet beschermd waren tegen bijvoorbeeld overschrijding van de geldende geluidsnormen.
Voor horecabedrijven die onder het (oude) regime van het besluit Horeca-, Sport- en Recreatie-inrichtingen Milieubeer vielen en die op last van de gemeente allerhande maatregelen moeten treffen vanwege overschrijding van de geluidsnormen, biedt deze overgangsregeling uitkomst. Met een beroep op deze overgangsbepaling kan waarschijnlijk de last met succes worden bestreden.
Deze overgangsbepaling is echter niet van toepassing op dienstwoningen die feitelijk gebruikt worden als burgerwoningen. Dit is een veelvoorkomend fenomeen. Dienstwoning zijn vaak als zodanig bestemd in het bestemmingsplan en dienen dan ook als zodanig gebruikt te worden. Dat betekent (afhankelijk van de definitie in het bestemmingsplan) dat de woning gebruikt dient te worden door iemand die werkzaam is voor het betreffende bedrijf en dat het gebruik ook noodzakelijk is voor dat bedrijf. Bijvoorbeeld in verband met de eis van permanent toezicht.
Regelmatig komt het echter voor dat het bedrijf de woning heeft verkocht of het bedrijf is verdwenen en voor het opvolgend bedrijf is de dienstwoning niet noodzakelijk. Als de bestemming van deze dienstwoning niet gewijzigd is wordt in die gevallen de woning gebruikt als burgerwoning en daarmee in strijd met het bestemmingsplan.
De vraag is dan welke geluidseisen er gelden. Moet de woning gezien worden als dienstwoning (waarvoor de geluidseisen niet per definitie gelden) of als burgerwoning, (waarvoor de geluidsnormen wel gelden).
De Raad van State heeft hier uitspraak over gedaan. Zij heeft in een uitspraak bepaald dat voor de vraag of een object op grond van de Wet milieubeheer moet worden beschermd tegen nadelige gevolgen voor het milieu niet de planologische status (bestemmingsplan) van het object maar het feitelijk gebruik van het object doorslaggevend is.
Dat betekent in beginsel dat, hoewel sprake is van illegaal gebruik van de dienstwoning een naastgelegen horecaonderneming aan de geluidsnormen zal moeten voldoen. Dat betekent dus ook dat de overgangsbepaling van het Activiteitenbesluit (6.15) in dat geval buiten spel wordt gezet.
Uiteraard kan de horecaondernemer verzoeken om handhaving vanwege het gebruik van de dienstwoning in strijd met het bestemmingsplan. Niet zelden echter zal de gemeente mee willen werken aan het wijzigen van de bestemming. Dat betekent dat de naastgelegen horecaonderneming in veel gevallen maatregelen zal moeten treffen om aan de geluidsnormen te voldoen.
Wel is het zo dat voor het legaliseren van het gebruik van de dienstwoning als burgerwoning een wijziging van het bestemmingsplan is vereist. In dat geval zal het vaak zo zijn dat de naastgelegen horecagelegenheid in een planologische slechtere positie is komen te verkeren en mogelijk recht heeft op vergoeding van schade (planschade).