Undercover agenten op jacht naar discriminatie portiers; uitlokking?
Het Openbaar Ministerie doet een onderzoek binnen de Amsterdamse horeca na mogelijke discriminatie door portiers van horecabedrijven. Daarbij worden undercover agenten ingezet. Hoewel discriminatie uiteraard een kwalijke zaak is en bestreden dient te worden, kunnen vanuit juridisch oogpunt de nodige vraagtekens bij een dergelijk onderzoek worden gezet.
Het Openbaar Ministerie beschikt over een ruime bevoegdheid om onderzoek te doen naar misdrijven. Indien er bij het Openbaar Ministerie daadwerkelijk (significante) klachten over discriminatie door portiers in Amsterdam zijn ontvangen heeft het OM in beginsel de vrijheid om zelf onderzoek te plegen.
Het is echter niet eenvoudig om een dergelijk onderzoek rechtsgeldig te laten verlopen en de resultaten van het onderzoek te kunnen gebruiken voor strafrechtelijke vervolging.
Ten eerste is het daarbij van belang dat geen sprake mag zijn van “uitlokking”. Op grond van jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) mag geen sprake zijn van uitlokking van de verdachte tot handelingen waar zijn opzet niet al reeds op was gericht. In dit geval: had de portier zonder het inzetten van de undercover agent wel de opzet om te discrimineren?
Een vergelijkbare discussie deed zich in het verleden onder meer voor bij het plaatsen van “lokfietsen” (het plaatsen van een lokfiets ten einde fietsendieven op heterdaad te kunnen betrappen; in dat geval was er overigens geen sprake van ongeoorloofd uitlokken).
Het inzetten van “lokfietsen” is echter niet zomaar vergelijkbaar met de inzet van “lokallochtonen”. In strafrechtelijke kringen wordt de nodige discussie gevoerd over de vraag in hoeverre het is geoorloofd om undercover agenten discriminatie te laten constateren c.q. uitlokken, bijvoorbeeld jegens homo’s, allochtonen en/of mensen van Joodse afkomst.
Het onderhavige onderzoek door het OM is echter nog complexer; immers wordt in dit geval de undercover agent niet op initiatief van de verdachte benaderd (bijvoorbeeld discriminatie van homo’s die hand in hand op straat lopen), maar neemt de undercover agent het initiatief om een horecabedrijf te betreden. Het enkele feit dat de bewuste undercover agent niet wordt toegelaten leidt allerminst eenvoudig tot de conclusie dat er sprake is van discriminatie.
Op dit moment lijkt het onderzoek van het OM nog niet te hebben geleid tot strafrechtelijke vervolging van portiers en / of horecabedrijven.
Eventuele vervolging leidt in de praktijk overigens niet alleen tot het opleggen van boetes maar ook tot taakstraffen. Daarnaast kan (herhaaldelijke) constatering van discriminatie door portiers aanleiding geven tot (al dan niet tijdelijke) sluiting van de zaak.